‘Aanstellerij’

Het voormalige ‘oogleidersgesticht’ aan de Haagse Tasmanstraat. Hier heb ik tien dagen gelegen. Raar genoeg heb ik altijd gedacht ik altijd dat ik in J.P. Coenstraat of de Daendelsstraat lag: direct achter Station Staatsspoor.
  • Het voormalige ‘oogleidersgesticht’ aan de Haagse Tasmanstraat. Hier heb ik tien dagen gelegen. Raar genoeg heb ik altijd gedacht ik altijd dat ik in J.P. Coenstraat of de Daendelsstraat lag: direct achter Station Staatsspoor.
Foto: Google Streetview

Lente 1961 – Ik ben 7 jaar oud. Ineens doet mijn linkeroog erge pijn. Heel erge pijn. Maar we moeten naar een oudoom. Hij is net weduwnaar geworden en is jarig. We gaan met de auto. Maar ik wil niet mee. Ik heb zo’n erge pijn. Ik gloei helemaal van de pijn. Maar ik moet toch mee.

voorjaar 1961/mei 2021
door Eduard Bekker

W

e stoppen bij een vrijstaand huis aan de rand van een bos. Ik kan niet meer opstaan en blijf liggen op de achterbank van de volkswagen kever. Ik kreun van de pijn. Pa en ma gaan naar binnen en laten mij achter.
Als ze een tijdje later even willen kijken of ik toch niet mee naar binnen kan, blijk ik in slaap gevallen.
Verdomme Herman, dat zul je altijd zien. Kletsnat. En de achterbank ook. Mijn moeder is pislink.
Ik moet met mijn natte broek naar binnen door een kamer met vreemde mensen, die ik niet aan durf te kijken. Ik schaam me zo. Niet alleen door de natte broek maar ook door de helse pijn aan mijn oog. Broek uit in het keukentje. En daar zit ik dan in die donkere ruimte tussen al die vreemden, in een vreemde, veel te grote onderbroek.

Grauwe zaal

Het gebeurt natuurlijk op zaterdag, dus maandag kunnen we pas na een weekend helse pijn naar de oogarts. Die zit in een oud gebouw aan de Tasmanstraat. Het is in een grote, grauwe donkere zaal, waar het daglicht slechts smalle bundels door nauwe, hoge ramen werpt. Aan één kant een lange houten bank, waar iedereen op zijn beurt moet wachten. Aan de andere zijde bij de vensters een batterij hoge tafels met oogapparatuur en daarachter een reeks mannen in witte jassen.

‘Aanstellerij’

Het wachten duurt lang. Heel erg lang. Heeft die oude mevrouw die daar binnenkomt eigenlijk nog wel een oog aan haar linkerkant? Het is zo eng hier. Maar straks komt de dokter me vast helpen en heb ik geen pijn meer.
Eindelijk zijn we aan de beurt. Mijn moeder loopt iets voor me naar de tafel die is omgeroepen. Nog voor ik bij de tafel ben aangekomen hoor ik maar één woord van de oogarts:
aanstellerij.
Verbluft druipt mijn moeder af.
Ik begrijp er niets van. Ik verga van de pijn aan mijn oog. Wie heeft die man in die witte jas op zijn hoge kruk een aansteller genoemd? Mij toch niet? Hij heeft niet eens in mijn richting gekeken. En waarom lopen we nou gelijk weer weg?

Rode pukkels

Een dag later met verschrikkelijke pijn zit er om mijn linkeroog uitslag. Rode pukkels. Mijn oog zit bijna dicht. Mijn moeder belt onze dokter. Hij schrikt zich rot. Dit heb ik nog nooit bij zo’n jong iemand meegemaakt, zegt hij tegen mijn moeder. Dit verwacht ik niet bij zo’n jong iemand. Het is een herpes, verwant aan de rode hond. Waarom is hij zo rustig? De arme jongen moet werkelijk vergaan van de pijn. Zeg het maar niet tegen hem, maar hij zal waarschijnlijk stekeblind worden, als ik het niet kan keren.

‘Goede beestjes’

Ik heb dit allemaal niet gehoord. Gelukkig maar. Ik vind het ergens ook een beetje stoer, zo’n misvormd gezicht, want mij linkeroog zit praktisch helemaal dicht.
Dat ‘keren’ doet de dokter door twee keer een prik in mijn bil te geven (ik heb het gevoel dat hij daartoe een aanloop neemt en me een ram geeft met zijn vuist, want ik voel een harde dreun in mijn bibs). De lege ampullen waarin de ‘goede beestjes’ hebben gezeten mag ik houden.

Oogleidersgesticht

Uiteindelijk moet ik toch naar het oogziekenhuis, want het gaat niet goed. Gelukkig ben ik daar niet meer bang voor. Met een vooruitziende blik heeft mijn moeder me die angst enkele maanden eerder met veel geduld uit mijn hoofd weten te praten.
Het moet ook weer het oogleidersgesticht aan de Tasmansraat zijn, al heb ik dat gelukkig niet in de gaten. Ik lig er met vijf andere kinderen op zaal. Een ieder onder een mozaïekwerk op de muur aan het hoofdeind. Het mijne is een reusachtige man die een heel stel boten met zich mee trekt: een sprookje dat niemand op de zaal blijkt te kennen. Ik ook niet. De anderen hadden wel bekende sprookjes boven hun bed. Zij wel.

Scheelkijkers

Ik lig er tien dagen. Steeds komen er kinderen die worden geopereerd en dan jankend en snikkend met twee pleisters voor hun ogen terug de zaal in belanden. Het blijken schele kinderen te zijn, waarvan het oog weer wordt rechtgezet.
Naast mij ligt een jongen die moet worden geholpen aan een steentje dat ergens in zijn oog verzeild is geraakt. We denken dat hij er dus het slechtst aan toe is, want ik heb geleerd dat een steen in iemands oog krijgen heel gevaarlijk is. Wat er bij mij op de loer ligt, heb ik gelukkig niet door. Ook hier ben ik zelfs een beetje trots op mijn misvormde – tot een spleetje samengetrokken – linkeroog.
Mijn moeder komt me af en toe bezoeken en neemt de Panda-strip voor me mee, die ze uit de Haagsche Courant heeft geknipt: Panda en de plastic plastiek.

Lieve Indische juf

Na een paar dagen komt bij mijn ouders het verlossende telefoontje binnen. De huisarts meldt dat de ziekte is gekeerd. De littekens verdwijnen en ik kan met beide ogen nog steeds goed zien.
Ik moet weer naar school. Ik vind het eng, omdat ik mijn klasgenootjes vijf weken lang niet heb gezien. Ik ben altijd een beetje bang van andere kinderen. Vooral als ik me geen houding weet te geven. Maar de lieve juffrouw Croes – een Indische juf – neemt me op schoot en zegt dat iedereen vast blij is me weer te zien.

Er is wel iets vreemds met mijn ogen gebeurd: ik heb nu een blauw (links) en een bruin (rechts) oog. En mijn pupillen zijn verschillend van grootte. Ook moet ik aan de bril. Met links een vergrotend en rechts een verkleinend glas. Wat op zich wel praktisch is: door mijn linkerglas voor mijn rechteroog te houden, heb ik een vergrootglas. Een handige hulp voor als ik mijn leesbril niet zo snel bij de hand heb.

Begrafenis

Als de huisarts - die al lang en breed mijn huisarts niet meer is - in 1998 overlijdt, ga ik naar zijn begrafenis. Het blijkt een nogal omstreden man: een ware tiran die zijn diverse gades nogal agressief schijnt te hebben belaagd. Maar ik vertel het bezoek dat ik juist aan hem te danken heb dat ik nog kan zien. Eigenlijk had u moeten spreken op zijn begrafenis. We zijn hier met gemengde gevoelens en dit was dan juist een heel ander verhaal geweest, vertrouwt een van de familieleden me toe.

Lieve ogen

Ik stap op een slanke meid af met lange, rode lokken en lieve ogen. Het blijkt een dochter. Ik vertel haar over haar vader, die met zijn typerende artsenkniptas, zijn kalende kruin en zwarte bril voor mij het archetype van een dokter was.
Ze zegt dat ze zich zorgen maakt: haar vader is zo vaak gescheiden en nu zit ze in een hetzelfde schuitje: zou ze ook zo’n onrustig leven met toestanden tegemoet gaan als haar vader? Ik troost haar met het verhaal van mijn vroegere leraar Frans op het Daltonlyceum: hij was ook meermalen getrouwd geweest. Zijn verjaardag viel in de zomer en dan huurde hij een stuk camping af waar al zijn exen neerstreken met hun kroost en eventuele huidige eega’s. ‘Was altijd heel gezellig’, hoorde ik op zijn begrafenis. Zo kan het dus echt ook, zeg ik haar. Het gaat er vooral om hoe je scheidt: in goed overleg en zonder rancune.
Het maakt blijkbaar indruk. Ik geef haar mijn visitekaartje met mijn mailadres op mijn werkplek (ik heb thuis nog geen internet) en we omhelzen mekaar.
Met een warm gevoel vertrek ik naar huis.
Ik heb haar nooit meer gezien. Hoe zou het met haar gaan?

Terug   > Home     > Thema’s       > Familieverhalen         > ‘Aanstellerij’
(Advertentie)

Familieverhalen


Real Time Web Analytics
rss
UItzicht op de Catalaanse Pyreneeën vanuit Puigcerdà