De Verborgen Vijver

Beduusd verliet hij de kamer van de rector. Het meisje is nog veel te veel van streek. Ze kan nog niets zeggen. Maar laat één ding duidelijk zijn: jij komt hier in elk geval voorlopig niet meer terug., had hij te horen gekregen. De bel van de pauze was net gegaan en een groep leerlingen stond voor de deur. Leerlingen ook van andere klassen. Met gebogen hoofd kroop hij er langs, op weg naar de fietsenkelder.

1976/2021
door Eduard Bekker

H

ij voelde de ogen van de meute in zijn rug priemen.
Hé, was het lekker?
Die stem kende hij. Op de stenen trap naar beneden aangekomen voelde hij een harde duw, maar hij wist een pijnlijke val te af te weren door de trapleuning vast te grijpen.
Hé, we vragen je wat, vind je het lekker, meisjes verkrachten?
De stem van Aart Notermans, zijn kwelgeest, die hem altijd uitschold voor ‘dwerg’, omdat hij de kleinste van de klas was. Verkrachten? Wat bedoelden ze toch? Hij begreep het niet. Hij moest naar huis, naar zijn moeder, die ze al hadden gebeld. Wat stond hem te wachten?

Hij was altijd al een ondernemend knaapje geweest. Hij trok er op zijn zesde al in zijn eentje op uit. Zondagochtend heel vroeg pakte hij zijn stepje en verkende de duinen, die aan de wijk grensden waar hij woonde. Soms verdwaalde hij, maar altijd vond hij wel een weg terug, zodat hij toch weer bijtijds met zijn ouders aan het ontbijt zat.
Vriendjes nam hij nooit mee. Eens had hij bij een van hen om half zeven aangebeld, met het gevolg dat een moeder in nachthemd hem vanuit het slaapkamerraam toetierde waar hij de onbeschoftheid vandaan haalde en hem vroeg of hij ooit wel manieren had geleerd.
Maar ze hadden sowieso niet mee gemogen. In de duinen zou het immers vergeven zijn van de kinderlokkers? Die je probeerden mee te krijgen om ...? Hij begreep al dat gezeur niet zo.
Maar hij keek wel uit.

Ala hij dan terug kwam van zijn zwerftochten, verteld hij hun wat hij allemaal had gezien. De bontgekleurde fazanten, het kleine duinmeertje, de bunker, waar je door een smalle opening naar binnen kon kruipen. Maar ze geloofden hem niet, lachten hem uit en vonden hem maar een opschepper.
Hij liet zijn vriendjes op den duur steeds meer links liggen en ging vaker zijn eigen gangetje. Thuis rommelde hij in kisten en kasten in de afgelegen hoekjes in huis.
Op een dag ontdekte hij daar drie oude sprookjesboeken. Dagenlang was hij zoet met het lezen van al die mooie, soms vertederende verhalen. Vooral de kleurplaten van glanzend papier, apart op de bladzijden vastgeplakt, fascineerden hem. 0p één van die platen stond een in lompen gehuld meisje. Maar was ze mooi en wat keek ze lief. Heel mooi en fijn getekend, met een tenger gezichtje en lang, golvend haar als van goud. Vaak, voor het slapen gaan, fantaseerde hij dat ze echt bestond. Hij leefde zich in in haar sprookje om haar te redden uit de handen van boze ruiters.

Jaren later, toen hij net op de HAVO zat, moet hij meteen aan dat meisje hebben gedacht, toen zij bij hem in de klas kwam. Inderdaad een tenger meisje met een smal blank gezichtje. Binnen enkele weken legde zij beslag op al zijn dagdromen. Ze leek hem weerloos en schuchter.
Maar toen hij een keer, zo onopvallend mogelijk, onder tekenles naast haar was gaan zitten, plaagde ze hem. Volgens mij zit je hier expres!, had ze nem toegegiebeld en had haar rode tongetje naar hem uitgestoken. Toen durfde hij geen woord meer uit te brengen.

Maar in de middagpauze op het schoolplein kwam ze met haar vaste vriendinnetje op hem af en bood hem een pepermuntje aan. Daarop kwam echter meteen een schare jongens uit zijn klas aangelopen, die die zich er er meteen tussen wrongen om het meisje ook om een pepermuntje te vragen. Schuw was hij er vandoor gegaan.

Maar ineens gebeurde het. Zomaar, ineens. Ze waren aan de praat geraakt, toen een zwerm meeuwen zich op een stuk brood hadden gestort, dat hij ze had toegeworpen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, wandelden ze het schoolhek uit in de richting van het voetpad, dat achter het sportveld om de school heen liep. Ze keuvelden over allerlei kleine gebeurtenissen, die ze ooit eens hadden meegemaakt.
Toen vertelde hij ook van zijn geheim. Ze waren het sportveld alweer voorbij en hij wees op een opening in het prikkeldraad . Even keken ze om zich heen en toen er niemand te zien was, werkten ze zich er door.

Na een korte, bochtige tocht door de dichte struiken kwamen ze aan bij een uitgestrekte, grillige vijver, waarop overal groepjes waterlelies op dreven. Aan het andere einde was een rietkraag. Aan de ander kant kon je nog net tussen de populieren een bovenlichtje van de gymzaal zien.
Goh wat mooi, zeg! Hoe wist je dit?
Nou, gewoon. Gevonden.
Ooit was hij nieuwsgierig geweest en over het prikkeldraad bij het sportveld geklommen. Daar had hij de vijver ontdekt. Het verbaasde hem dat zo’n grote vijver zo goed verborgen lag op het schoolterrein.
Het meisje stond lang stil en tuurde de vijver af. In een uithoek van het panorama stond een grote groep reusachtige bereklauwen, omgrensd door een zoom van groot hoefblad tot aan de rand van de vijver; lage planten, met donkergroene bladeren en dikke, rabarberachtige stengels.
Samen liepen ze over het smalle paadje langs de waterkant.
Zie je dat riet daar?
Ja
Kijk eens goed.
Hee, een vogelnestje!.
’t Is een waterhoentje. Kijk maar, hij heeft een rode bles boven zijn snavel.

Héé, moet je dat eens zien!
Hij keek in de aangewezen richting. In een reflex trok hij zijn hoofd terug, maar de schok sloeg om in een glimlach, toen hij wist wat hij zag.
Dicht bij de kant, vlakbij een waterleliebiad, keek een reusachtig karper hen aan. Zijn bek stak haast boven het wateroppervlak uit. Onbeweeglijk hing hij daar, terwijl hij het stel vermanend leek aan te staren. Maar ineens kreeg de vis blijkbaar door wat hij zag en met een enorme zwieper van zijn staart verdween hij in de diepte, terwiJl het water nog nagolfde.

Ze waren naar het grasveldje gelopen. Languit lagen ze op hun buik in tuurden in het ondiepe, kraakheldere water. Er was een vliegje viel op beland. Meteen schoot een mugachtig insect over het water naar het vliegje.
Dat is een schaatsenrijder.
Hoe kan dat dat ’ie op het water loopt?
Volgens mij heeft hij lucht in zijn poten zitten
Maar eer de schaatsenrijder het viiegje bereikte, kwam er een fel gekleurd visje aangezwommen en hapte het vliegje weg,
Een driedoornig stekelbaarsje. Het is een mannetje, want die zijn altijd zo mooi gekleurd.
Kijk, dat is zijn nest.
En inderdaad, de vis zwom naar een klein kluwentje van draadkroos, dat tussen de waterplanten zat vastgevlochten.
En waar is de mama-vis dan?
Het mannetje verzorgt de eieren en de jongen, het vrouwtje jaagt hij er alleen maar doorheen om het kuit te laten schieten. Verder doet ze niets. Soms herhaalt hij dat wel honderd keer.
Maar wordt dat vrouwtje daar dan niet doodmoe van?
Oh, nee hoor. Hij neemt elke keer een ander vrouwtje.
Hee, moet je kijken wat daar nou aan komt?
Het ‘iets’, dat wel wat leek op een grote garnaal, bewoog zich met een traag zwiepende staart langzaam in de richting van het stekelbaarsje, dat bij het nest waakte.

Het is de larve van een waterroofkever. Hij jaagt op visjes, maar soms kan hij zelfs nog een kikker doden.
Ahbah, kun je hem dan niet proberen weg te jagen?
Sjors porde met een takje tegen het creatuur, maar juist het stekelbaarsje schrok op en schoot weg en liet een zandwolkje achter.
Ze kwamen allebei weer overeind. Hij sprake honderduit over waterspinnetjes die lucht in hun achterwerk opsloegen, bittervoorntjes, die eieren legden inzoetwatermosselen, de rugzwemmers, die lelijk konden steken en waterkevers. Ze luisterde met grote, verbaasde ogen.

Wat ben je nou aan het doen?
Hij, die zich vrijer voelde dan ooit, had tijdens het praten achteloos een rits madeliefjes aan elkaar gevlochten.
Ik maak een bloemenkrans.
Ga je mij versieren?
Eh... Ja...
Het plopte eruit voor hij er erg in had.
Je krijgt me toch niet te pakken.
Oh nee???
Ze zette het en een lopen, schaterend op de voet gevolgd door hem. In zijn linkerhand de madeliefjes.
Bij het groot hoefblad kreeg hij haar te pakken. Een korte worsteling volgde, waarbij de krans madeliefjes het begaf. Uiteindelijk vielen ze allebei giechelend tussen de planten. Ze gierde het uit van de lach.
Ha, ha, nou heb ik je!
Hijgend en zwijgend keek hij haar aan, terwijl hij zijn handen liet steunen op haar bovenarmen.
Hij dacht aan het sprookje aan de edelman die zich zo liefdevol over het meisje met de gouden haren boog toen hij haar had gered van de boze ruiters.

Héé, wat is dat daar???
Ze schoten overeind. Het was de gymleraar. Hij stoof op hen af.

Zijn jullie helemaal bedonderd, de boel hier een beetje slopen!
De jongen zag nu dat er een paar planten geknakt waren. De man stond nu vlak voor hen. De jongen volgde zijn blik naar het bloesje van Geertje. Het was groezelig geworden en gescheurd bij de worsteling.
Jij, jij, jij, gore vieze vuile smeerlap!!!
De jonge knaap wankelde. Zijn oren suisden na van de klap. Hij voelde zijn tintelende wang.

De Verborgen Vijver - achtergrond-informatie

Eduard Bekker 1976/2021leestijd: ± 1 minuut

Het verhaal dat je waarschijnlijk daarnet nog las, speelt zich af rond een vijver achter de Dalton Den Haag. De schooltijd daar bekijk ik met wat gemengde gevoelens. Pas in de vierde (voor de tweede keer) en de vijfde klas vond ik pas enigszins mijn draai.

> Meer
Terug   > Home     > Lange Verhalen       > De Verborgen Vijver
(Advertentie)

Lange Verhalen


Real Time Web Analytics
rss